Pappa 11-01-2014

Kijkduin

Het is vandaag negen jaar geleden dat pappa overleed. En weer voelt de dag anders dan het jaar ervoor. De zwaarte van de dag wordt ieder jaar minder. Dat is prettig, toch voelt het ook naar.

Het is prettig om opgewekt en met goede zin naar zee te gaan om een groet te brengen aan mijn vader zonder me verloren en eenzaam te voelen, zonder te denken dat ik nog zoveel had willen delen en vragen. Het is fijn om te voelen dat hij toch nog ergens is, niet ongrijpbaar in het luchtledige maar in mij. Het besef dat dit gevoel met het jaar sterker wordt, troost me. Het is fijn om me te realiseren dat ik deze tekst nu schrijf uit mijn eigen naam en dat het geen verhaal is over Rick. Daar is negen jaar voor nodig geweest.

Het is naar, omdat de zwaarte van de dag mij jarenlang dwong om tenminste eenmaal per jaar diep in mijzelf af te dalen om daar te voelen dat pappa er nog was. En hoewel ik weet en voel dat het niet waar is, ben ik soms toch bang dat het loslaten van dit verlies betekent dat ik mijn vader voorgoed kwijt ben.

Advertisements

Genocide

Daar gaan ze. Met honderden tegelijk storten ze zich over de rand. Onvoorstelbaar leed. Hoe wanhopig moeten ze wel niet zijn. Hele gezinnen zijn het: kinderen, ouders, grootouders misschien zelfs overgrootouders. Als lemmingen werpen ze zich in de afgrond, alwaar ze onherroepelijk te pletter zullen vallen. Een grote grijze golf van vallend leed. En daarna… stilte.

Jaren van ongestoord geluk in één middag, bruut de nek omgedraaid.

Het was een zomerse dag in augustus zoals ze er vaker zijn. Het was warm, dat wel. Maar in huis was het lekker koel. De kinderen speelden buiten in de schaduw van de smalle straten en steegjes. Verstoppertje, dat was hun favoriete spel en roltikkertje. Roltikkertje was eigenlijk gewoon tikkertje, maar de tikker mocht je niet tikken als je je snel wist op te rollen als een balletje. Niks wees erop dat het noodlot die middag toe zou slaan.

Om drie uur ’s middags begon het. Eerst was het alleen aan de rand van de stad. Een scherpe lucht drong door in straten en huizen. Bij inademing sneed het je luchtwegen af, alsof iemand een brandende sigaret door je luchtpijp probeerde te duwen. Een korte felle pijn gevolgd door totale verlamming, daarna voelde je niets meer.
Razendsnel verspreidde de damp zich van noord naar zuid door de stad. In blinde paniek liet iedereen alles achter zich en vluchtte zuidwaarts tot ze niet verder konden dan de afgrond. Zij die het tot hier gered hadden, zagen maar een uitweg. Ze prevelden een gebed en wierpen zich over de rand van de afgrond.

Het was geen fijn gezicht vond Rick, al die pissebedden die zich over de balkonrand stortten. Hij had liever gehad dat het bestrijdingsmiddel zijn werk onzichtbaar had gedaan en dat ze gewoon onder de stoeptegels van het terras waren doodgegaan. Dan had hij niet gezien wat hij eigenlijk had aangericht.

11 januari – acht jaar later

Rick kijkt uit over zee. Het is een kalme zee. Berustend.
Golven kun je de rimpelingen in het zeewater eigenlijk niet noemen. Rustig slaan ze om op het strand. Het geeft een vriendelijk en rustgevend geluid.
Jaren terug was op de plek waar Rick nu staat nog een pier. Pier 26. Nu is die pier er niet meer. De paal met nummer 26 bestaat nog wel. Die staat in de duinrand. Het is een nieuwe paal, met een frisblauwe bovenkant en een helderwit nummer.
Het is een belangrijke plek voor Rick, in gedachten is hij er vaak.

Rick denkt terug aan de 11e januari acht jaar geleden. Op die dag overleed zijn vader aan kanker.
Hij was net thuisgekomen van een cursus toen de telefoon ging. Rick wist meteen wat er aan de hand was. Alsof de boodschap de hoorn al uit was voordat hij opgenomen werd. Het bleef lang stil aan de telefoon. Rick kon niet geloven dat het waar was, dus wachtte hij, totdat de woorden werkelijk werden uitgesproken: “Rick, …hij is…vandaag is…hij is dood…”
Surrealistisch, dat was het. Het kon gewoon niet waar zijn. Je vader gaat niet dood. Je cavia en je goudvis. Ja, die gaan dood, maar niet je eigen vader.
Toch gebeurde het.

Rick kijkt naar zijn blote voeten in de branding. Kleine schelpjes rollen giechelend over zijn tenen. Opeens moet Rick denken aan het verhaal over zijn vaders tenen. Zijn vader had twee aan elkaar gegroeide tenen, waarmee hij vroeger geld verdiende. Voor een paar cent mochten anderen zijn tenen zien. Even grinnikt Rick bij het idee.

Hij schrijft in het zand: lieve idioot, ik mis je!
Rick kijkt toe hoe de zee de woorden meeneemt en keert dan huiswaarts.

H.G.

Jeffrey

Rick kijkt recht in de bloeddoorlopen ogen van Jeffrey.  “Laat me los! Laat me lòòòs!”, Jeffrey schreeuwt het uit. Hij ligt, volledig over de rooie, plat op zijn rug in het gras. Hij trapt wild van zich af, terwijl  zijn meester  bovenop hem zit om hem koste wat kost in bedwang te kunnen houden. “Jeffrey, ik kan  je nu niet  loslaten,  eerst moet je rustig worden”, zegt Rick kalm. Ondertussen drukt hij met kracht beide handen van Jeffrey in het gras en giert de adrenaline door zijn lijf. “Ik maak hem dood, ik maak hem ècht dood”.  Het klinkt hartverscheurend. Jeffrey is woest, maar Rick hoort en ziet alleen maar de grenzeloze onmacht. “Dat weet ik Jeffrey, dat weet ik. Daarom kan ik je nu niet laten gaan. Echt, ik laat je los wanneer je rustig bent geworden”.

Die ochtend waren alle klassen van basisschool de Wissel naar het sportpark in de buurt van de school gegaan vanwege de jaarlijkse sportdag. Het beloofde een mooie dag te worden.  Het was droog, zelfs het zonnetje scheen af toe.
Groep vier, de klas van Rick, had al weken voorpret gehad. Ze hadden landenteams gemaakt en waren al dagen bezig om vlaggen te ontwerpen, T-shirts te beschilderen en mascottes te maken van piepschuim en karton. Er was door de kinderen zelfs een eigen strijdlied geschreven. Sinds Rick op de Wissel was gaan werken, werd er veel meer muziek gemaakt. Rick had gitaarles genomen om de kinderen in de klas met de gitaar te kunnen begeleiden.

Rond het sportpark stonden veel eiken en er lagen een heleboel eikels op de grond: van die heel mooie, glanzende exemplaren. De meesten hadden nog een hoedje op. In de klas stond een herfsttafel en dat was voor veel  kinderen reden genoeg om hun zakken vol met eikels te stoppen. Jeffrey had zijn broekzakken tot de rand gevuld. Hij liep ermee te pronken alsof hij zijn zakken met goud had gevuld.
Trots liet hij zijn buit aan Rick zien. “Mooi hè, Mees?”, zei hij met een stralend gezicht, “Daar kunnen we morgen heel veel poppetjes van maken, toch?”. “Nou en of! Hou ze maar goed bij je”, had Rick geantwoord. Toen wist hij nog niet dat de uitgelaten en opgewekte sfeer vijf minuten later, compleet om zou slaan.
Rick zag het gebeuren: Jeffrey stootte  Mehmet aan op weg naar het voetbalveld, waardoor  een van de eikels uit zijn broekzak viel. “Wauw, dat is een mooie!”, zei Mohammed, terwijl hij de eikel uit het gras pakte. “Kijk Jeffrey, die valt net uit je broekzak en nu is die van mij!” Met een uitdagende blik en de gevonden eikel triomfantelijk in de lucht gestoken, zocht hij de confrontatie met Jeffrey op.  En met succes. Er knapte iets in het hoofd van Jeffrey, waardoor hij in een fractie van een seconde transformeerde van de vrolijke opgewekte jongen van zojuist in een volledig losgeslagen stier die recht op Mohammed afvloog om hem naar zijn keel te grijpen. Rick kon hem nog net op tijd naar de grond werken.

Inmiddels zit Rick al vijf minuten bovenop Jeffrey. Uiterlijk is hij heel rustig en in control, maar van binnen gaat er van alles door hem heen. Hij is toch de nieuwkomer op de Wissel en hoe je in dit soort situaties moet handelen heeft hij op de pabo nooit geleerd. Maar een ding is duidelijk: loslaten is nu geen optie. Gelukkig hebben de leerkrachten de overige leerlingen bij het strijdtoneel weggehaald. Hierdoor heeft Jeffrey in ieder geval geen last van de sociale druk die er vanuit de groep zou kunnen ontstaan.
Rick blijft rustig op Jeffrey inpraten; er zou een moment moeten komen dat Jeffrey moe wordt van het geschreeuw, het geworstel en het getrap. De kracht waarmee Jeffrey zich verzet neemt langzaam wat af en na een kleine tien minuten komt dan eindelijk het breekmoment. Jeffrey barst in huilen uit. Op dat moment laat Rick Jeffrey’s armen los, gaat naast hem zitten en legt zijn arm over de schokkende schouders van Jeffrey.
Begrenzing vanuit verbondenheid, troost en nabijheid, dat is wat Rick volledig intuïtief geboden heeft.

Nadat ze zo een tijdje samen gezeten hebben, trekt Rick met een glimlach Jeffrey aan de handen omhoog. Samen lopen ze opgelucht naar de kantine van het sportcomplex. Het is inmiddels pauze en die kunnen zowel Jeffrey als Rick goed gebruiken.

H.G.

Mohammed

Het stormt en Rick zit op het vochtige strand van Kijkduin. Het is vrijdagavond, de eerste vrije avond van de herfstvakantie. Het is rustig op het strand. Er loopt een ouder echtpaar voorbij, arm in arm. Iets daarachter rent een man. In ieder geval doet hij iets wat daar op moet lijken. Het ziet er komisch uit. Kanariegeel tenue, knalrood hoofd, het tempo is nauwelijks sneller dan het wandelende echtpaar  en hij maakt het geluid van een oude stoomlocomotief.
Het laatste restje woede dat Rick nog voelde, maakt plaats voor een licht gevoel van leedvermaak. Wat kunnen sommige mensen zich toch belachelijk maken zonder dat ze daar zelf weet van hebben.
De man en het echtpaar lopen verder over het strand richting Scheveningen. Rick kijkt uit over zee. Langzaam zakt de zon om de zee te zoenen, aan de horizon drijft het silhouet van een vrachtschip. Dit verstilde beeld is in groot contrast met het gebulder van de wind en de golven.  Alsof het geluid en het licht hun eigen leven leiden en niets met elkaar te maken willen hebben.

De start van dit schooljaar was als het gebulder van de golven, daarom is Rick blij dat het even vakantie is. Inmiddels geeft hij alweer twee jaar les op de Wissel in Den Haag. Dit jaar voor het eerst  in groep vier. Er is nog geen dag voorbij gegaan in zijn klas zonder gedoe. Vandaag ook weer: Mohammed had ‘Mietje’ geroepen naar Kevin, daarop had Kevin Mohammed met zijn hoofd hard tegen de muur geduwd.
Mohammed werd het volledig zwart voor de ogen en hij wilde Kevin naar de keel vliegen, waarop Rick tussenbeiden sprong om te voorkomen dat de ruzie nog verder escaleerde. “Rustig Mohammed”, had Rick met een kalme maar zelfverzekerde stem gezegd, terwijl hij in de ene hand de arm van Patrick vasthad en in de andere de arm van Mohammed.
Maaiende armen en fluimen spuug ontwijkend, gebood hij Mohammed om op zijn plaats te gaan zitten. Als hij rustig werd, zouden ze de ruzie uitpraten. “Laat me, laat me!”, riep Mohammed. Terwijl hij richting zijn tafel liep, gooide hij alle stoelen op zijn pad omver. In plaats van aan zijn tafel,  ging hij eronder zitten. Rick had het maar even zo gelaten en was, nadat ook Kevin op zijn plaats was gezet, met de rekenles begonnen. Na een minuut of tien was Mohammed weer onder zijn tafel vandaan gekomen en had redelijk normaal met de les meegedaan.

Het waren heftige voorvallen die met grote regelmaat voorkwamen in zijn klas. Er was geen kind in de klas zonder verhaal. Ondanks de heftigheid en de agressie, genoot Rick wel van het lesgeven in de klas. “De kinderen zijn hier zo puur”, hoorde hij zich laatst nog zeggen tegen de directeur van de school. “Heel anders dan op de scholen uit de dorpen waar ik mijn stages heb gelopen. Daar duurt het veel langer voordat je de kinderen echt leert kennen”.

Het ging helemaal niet goed met Mohammed de laatste tijd. Vorige week was hij onderweg van de gymzaal naar school uit de rij weggerend naar huis, omdat hij het in de kleedkamer aan de stok had gekregen met Marjolein,  de leerkracht uit groep drie. “Schiet eens een beetje op met aankleden Mohammed”, had ze gezegd, waarop Mohammed zich extra langzaam ging afdrogen.  Toen Marjolein vervolgens aangaf dat hij die tijd na schooltijd wel even in mocht komen halen, keek hij haar recht in de ogen en zei:“Stomme trut, je bent mijn moeder niet. Ik luister niet naar je”.
Terwijl Rick met de twee klassen naar school liep, was  Marjolein achter Mohammed aan gegaan en had bij hem thuis aangebeld. Toen Mohammed zag dat juf Marjolein in het halletje van zijn huis stond, was hij naar boven gerend om uit zijn kamer een erwtenschieter te pakken. Vervolgens had hij Marjolein beschoten.

De kanariegele hardloper kwam weer voorbij. Rick realiseerde zich opeens weer waarom hij naar het strand was gegaan.  Hij was na deze dag thuisgekomen en had in tien minuten knallende ruzie met zijn vriendin gekregen.

H.G.

Rick

Met een enorme knal, valt de voordeur in het slot. De klap galmt na in het trappenhuis. “Het is godverdomme ook altijd hetzelfde gelazer!”, vloekt Rick terwijl hij ziedend van woede de acht trappen van zijn flat af stormt. Hij is op weg naar zijn fiets. Wanneer Rick kwaad is, moet hij fietsen. Het liefst heel hard, dat kalmeert. Meestal fietst hij rechtstreeks naar zee als hij af moet koelen.
In het trappenhuis ruikt het naar benzine van de brommers van de onderburen. De brandweer heeft al eens de flat ontruimt, omdat men bang was voor explosiegevaar. Rond elf uur ‘s avonds werd er aangebeld en hard op de deur gebonkt. “Wilt u onmiddellijk naar buiten gaan, de boel kan ieder moment ontploffen”, zei de brandweerman in vol ornaat aan zijn voordeur. Rick was rustig naar beneden gewandeld. Hij maakt zich nooit zo druk in dat soort situaties. De kans dat de boel werkelijk ontploft lijkt hem zeer klein.

Twee jaar geleden is hij in het appartement gaan wonen. Hij zou per augustus als leerkracht beginnen in groep 3 van een openbare basisschool in een achterbuurt van Den Haag. Op 10 juli had hij te horen gekregen, dat hij half augustus kon beginnen. Hij had dus maar beperkt de tijd om woonruimte te zoeken.
Eind juli werd hij gebeld door een woonbemiddelingsbureau om naar twee beschikbare appartementen te gaan kijken. De kans dat hij nu meteen woonruimte had was groot, want er waren twee gegadigden en twee appartementen. Rick had helaas niet de eerste keus.
Niet lang nadat hij gebeld was, stonden ze met z’n tweeën en een man in pak voor een enorm vervallen voorgevel in de Badhuisstraat. Afgebladderde verf, rottende kozijnen en vuilnis op de stoep. Dat was de eerste indruk. Eenmaal binnen was het eigenlijk heel aardig. Je liep eerst een smalle houten trap op, naar de eerste verdieping. Daar kwam je in een kort gangetje met zowel links als rechts een kamer, in de rechter kamer was een eenvoudig keukenblok zonder afzuigkap geplaatst. Tussen de twee kamers in, zat de badkamer.
Rick was vooral enthousiast over de locatie. Met tien minuten lopen, was je op het strand. Hij zag het helemaal voor zich: na een vermoeiende werkdag, lekker zwemmen in zee of wandelen over het strand om zo van zijn hoofd in zijn lijf te komen. Helaas zag Lisette, de jonge vrouw die de eerste keus zou hebben, ook wel wat in strandwandelingen bij zonsondergang.

Na de Badhuisstraat, werden ze beiden gebracht naar een tweekamerappartement op de vierde verdieping van een jaren-50-flat aan de Leyweg. Het was een totaal verwaarloosde woning. Tijdens de bezichtiging was het er bloedheet en rook het naar rottend vlees. Voor de ramen naar het grote dakterras hingen donkerbruine, doorrookte gordijnen die dicht zaten. Op de vloer lagen drie lagen vloerbedekking -zou later blijken- waarvan de onderste laag al in een vergaande staat van ontbinding verkeerde. Lisette rende dan ook na het openen van de kamerdeur, gillend de acht trappen weer af, terwijl ze over haar schouder riep: ”Jij mag deze, ik neem de Badhuisstraat.”
Zo kwam het dat na vier weken, waarin alle kamers gedesinfecteerd, gewit, ontschimmeld en van de lagen vloerbedekking ontdaan waren, Rick met een stel vrienden en familie zijn spullen de acht trappen van zijn nieuwe thuis opdroeg.

Inmiddels is Rick bij zijn berging op de begane grond aangekomen. Hij trekt, nog altijd trillend van woede, zijn fiets uit de smalle berging, doet de buitendeur open en vertrekt met een verhit hoofd naar Kijkduin.

 H.G.

De herder

Daar zit hij, de herder. Ik heb hem hier vaker gezien. Hij zit met zijn rug tegen de stam van een dikke berk geleund. Het is een echte herder denk ik. Dat zie ik aan zijn hoed, zo’n groen-beige hoed met een rand. Volgens mij is hij aan het dutten. Zijn hoofd is licht naar voren gebogen en rust op zijn armen die hij om zijn opgetrokken knieën heeft gevouwen.
Dat hij slaapt, is niet heel erg. Zijn hond let wel op de kudde. Fijn zo’n hond die een oogje in het zeil houdt, terwijl jij je werk doet.
Vanaf de heuvel waarop ik zit, kan ik niet zien of er een grasspriet op zijn lip hangt. Ik hoop het wel, dat hoort zo vind ik. Een kapitein trekt aan een pijp, een vrachtwagenchauffeur rookt zware shag en een herder… een herder heeft een grasspriet op zijn lip.

Hij woont, denk ik, in een zelfgebouwd, houten huis in het bos. Zo’n huis dat is opgetrokken uit eigenhandig gekapt dennenhout. Stevige balken, houten vloer, houtkachel. Geen poespas, eerlijke materialen, gebouwd met respect voor de natuur.
Als je de deur opent, piept de deur een beetje. Niet heel erg natuurlijk, want een herder is heel handig. Net voordat de romantische piepdeur transformeert in een oude, irritante schreeuwlelijk, smeert hij de scharnieren. Precies genoeg aandacht en op precies het juiste moment.
Als je in het huis staat, ruik je het bos. Je herkent het vast wel: een ietwat vochtige, mossige lucht, vermengt met een zweem van verbrand hout. De houten vloer kraakt zacht onder je voeten en in de hoek van de kamer naast de houtkachel staat de mand van zijn hond. In de mand ligt een roodgeruite deken en daarop ligt de hond tevreden uit te rusten van een heerlijke dag werken op de hei. 

Ik kijk nog eens naar die slapende herder onder mij. Zou hij bij thuiskomst nog moeten bijkomen van zijn werkdag? Erg hectisch ziet zijn werk er eigenlijk niet uit. Ik kan mij vergissen uiteraard. Misschien is hij wel heel alert op dit moment. Dat kan ik natuurlijk niet zien. Misschien springt hij overeind wanneer hij een tak hoort knappen op een locatie waar hij het niet verwacht en blaast hij resoluut op zijn hondenfluitje, waarna zijn trouwe viervoeter het direct op een lopen zet om het schaap in nood terug naar de kudde te drijven. Het zou kunnen.
Inmiddels zit ik hier al een tijdje, en ik heb tot noch toe weinig actie waargenomen. 

Maar ja, wat ik zie, is alleen de buitenkant…

H.G.